Als we hooien, komen van God weet waar, zwermen ooievaars aangevlogen.
Ongenodigd versieren ze zichzelf een feestmaaltijd.
De ganse dag, uren aan een stuk pikken ze klein gedierte op en schrokken het binnen met een snelle zwaai van hun lange nek.
Waar blijven ze het steken, vraag ik mij af.
Als we laat werken, worden de grote vogels bij valavond afgelost door een meute vossen. Die zijn zo mogelijk nog driester dan de klepelaars.
Slechts de trotse grote roofvogels blijven hautain op afstand. Hoog boven de machine cirkelend, tot ze zich plots laten vallen op een woelrat die desondanks dacht te kunnen ontkomen.